We voelen ons allemaal wel eens onzeker.
Als je een 'bad- hairday' hebt, als iemand die je erg waardeert je een snauw geeft of wanneer er een prestatie van je verwacht werd maar deze niet uit de verf kwam.
Niets om je zorgen over te maken.
Maar sommige mensen zijn meer dan eens onzeker. Zij hebben last van faalangst.
Faalangst is te onderscheiden in
positieve faalangst (ook wel bekend als de gezonde zenuwkriebel die je net dat beetje power geeft om je taak tot een goed einde te brengen) en
negatieve faalangst.
Negatieve faalangst zorgt voor een belemmering in je alledaagse functioneren. Het zorgt ervoor dat je situaties vermijd, het zweet je uitbreekt en je prestaties verprutst.
Binnen negatieve faalangst vallen twee categorieën te onderscheiden:
Actieve faalangst: je werkt te hard om toch maar vooral je taken af te krijgen. Je neemt onvoldoende afstand van je werk en neemt onvoldoende ruimte voor ontspanning.
Passieve faalangst: uit angst dat je toch niet zal slagen, stop je met energie steken in je taak. Lastige situaties worden vermeden of je wordt (letterlijk) ziek van de spanning, waardoor je niet meer kan deelnemen.
Faalangst en kinderen.
Ook bij kinderen komt faalangst voor. Het ene kind ontwikkeld faalangst door negatieve ervaringen in zijn leven, andere kinderen zijn van nature minder zelfverzekerd en zijn zonder duidelijk aanwijsbare reden faalangstig.
Wat de reden van faalangst ook is, het is vaak knap lastig!
Hoe herken je faalangst bij kinderen?
- regelmatig last van hoofd en/of buikpijn (tot diarree of braken toe)
- moeite met inslapen en ligt te piekeren in bed. Ook doorslapen kan moeite kosten
- is vaak gespannen, moeite om te ontspannen
- moeite met concentreren
- teruglopende schoolprestaties
- blokkeren
- wiebelen of friemelen
- clowneks gedragen om onzekerheid te maskeren
- verlegen en teruggetrokken zijn
- snel huilen
- prikkelbaar zijn
- vermijden van moeilijke taken of sociale situaties
- uitingen als "ik kan dat toch niet" of "ze vinden mij toch niet aardig" ect.
- over-leren: meer doen als nodig is om er maar zeker van te zijn dat er voldoende geoefend is
- de lat hoog leggen
- perfectionistisch zijn
Wat kun je aan faalangst doen?
Naast talloze boeken die te lezen zijn over faalangst en trainingen die te volgen zijn, kun je thuis ook veel doen voor je kind. Hieronder enkele tips!
Supporters: zoals een sportclub niet zonder supporters kan, zo kan iemand met faalangst dat ook niet. Ouders, leerkrachten, trainers, opa's en oma's, vriendjes en vriendinnetjes... allemaal kunnen ze supporter zijn voor het kind. Een supporter steunt en helpt het kind, biedt een luisterend oor en een troostende schouder, maar kan het kind ook oppeppen en coachen.
Complimentjes geven: het klinkt zo voor de hand liggend, maar toch is geven van complimenten vaak iets wat we onvoldoende (bewust) doen. Een goed compliment gaat niet over de uitkomst, maar het proces van de taak. Dus niet: "wat heb je een mooie tekening gemaakt" maar "ik zie dat je hier hard aan gewerkt hebt!"
Complimentje aan jezelf: kinderen met faalangst hebben vaak een laag zelfbeeld en vinden het erg lastig om iets positiefs over zichzelf te zeggen. Toch is dat heel belangrijk voor het ontwikkelen van meer eigenwaarde. Laat je kind daarom dagelijks een compliment aan zichzelf geven. Om te zorgen dat zo'n compliment niet letterlijk in de lucht verdwijnt, is het aan te raden dat het kind het compliment ook opschrijft.
De gedachten aanpakken: wanneer je faalangst hebt, heb je last van negatieve gedachten. Deze negatieve gedachten beïnvloeden je gevoel. En dat gevoel beïnvloedt weer je gedrag (de manier waarop je met de situatie omgaat). Door negatieve gedachten om te buigen naar meer positieve gedachten, zal ook het gevoel positief beïnvloed worden, waardoor je op een meer positieve manier kan omgaan met de situatie.
Een voorbeeld:
Joris is niet goed in rekenen. Tijdens de rekentoetsen blokkeert hij regelmatig, waardoor hij de sommen niet afkrijgt en hij een onvoldoende haalt. Wanneer Joris weer een toets voor rekenen krijgt, begint zijn hoofd te tollen. Hij denkt: "daar gaan we weer. Ga ik weer een onvoldoende halen. Dit lukt me nooit! Ik heb al zo vaak een onvoldoende voor rekenen gehaald!"
Joris voelt zich zenuwachtig en onzeker worden.
De toets start. Joris kijkt naar zijn blaadje. De sommen beginnen voor zijn ogen te dansen. Hij begrijpt niets van wat er staat. Hij krijgt het warm, zijn handen worden klam en het wordt lastiger om zijn pen goed vast te houden.
Plots zegt de meester dat de tijd om is. Joris heeft slechts 3 sommen ingevuld.
In bovenstaand voorbeeld staan meerdere negatieve gedachten benoemd (rood gearceerd) Het is duidelijk dat Joris zo zenuwachtig wordt dat hij de toets totaal verbruid. Wanneer het Joris zou lukken deze gedachten om te buigen naar iets positievers zou hem dit een sterker en meer zelfverzekerd gevoel geven. Voorbeelden van deze gedachten kunnen zijn: "ik heb deze sommen in de les al veel geoefend", "ik doe mijn best, dat is het allerbelangrijkste", "ik haal rustig adem en probeer de toets zo goed mogelijk te maken".
De gedachten uitdagen: de omgeving van het kind met faalangst (de supporters!) kunnen het kind helpen de gedachten die ze hebben uit te dagen. "hoe erg is het als dat niet lukt? " of "wat is het ergste dat er kan gebeuren wanneer dat niet lukt?" of "heb je al eens eerder meegemaakt dat dat gebeurde? en wat toen dan?" Door het kind zulke vragen te stellen, help je het kind zijn eigen gedachten in perspectief te zetten en te relativeren.